Artikel NL Mag Mobile Door een eenzijdig economische blik op ruimtegebruik worden essentiële maatschappelijke functies verdrongen. Hoe en waar vinden we het perspectief op een ‘stad voor iedereen’ weer terug? In NL Magazine nummer 3, dat verscheen op 14 december 2018,  publiceerden wij een artikel, waarmee we ons project over de rechtvaardige stad een vervolg geven. Op zoek naar een aansprekend verhaal voor de rechtvaardige stad.

Van Woustraat - Amsterdam
Loop een stuk door de Amsterdamse Van Woustraat, centrale stadsstraat in De Pijp en je ziet hoe het aanbod van voorzieningen verschraalt. De horeca rukt op. Als de stadsstraat de spiegel is van de wijken er omheen, gaan we daar binnenkort alleen nog maar koffiedrinken en gastronomische hamburgers eten. Nog steeds is er in deze wijk een flink percentage sociale huur, maar dat daalt gestaag. Het is vast heel gezellig in dit bastion van de creatieve klasse, en in alles lijkt het op een levendige, diverse stad voor iedereen - maar dat is schijn. Een herkenbare ontwikkeling in veel Nederlandse steden.

Een aansprekend verhaal
De Engelse onderzoeksjournalist George Monbiot schrijft in Uit de puinhopen – Een nieuwe politiek in een tijd van crisis dat cijfers en rationele argumenten bij maatschappelijke veranderingen nauwelijks een rol spelen, het gaat om een aansprekend verhaal. Alleen daarvoor komen mensen in beweging, dat stuurt de publieke opinie en heeft politieke gevolgen. Dat verhaal moet gebaseerd zijn op waarden en beginselen. Hij citeert in zijn boek de Amerikaanse auteur Mike Davis: ‘In de stad moet prioriteit worden gegeven aan publieke welvaart boven particuliere rijkdom’. Misschien kan dat ‘beginsel’ de basis zijn voor een aansprekend verhaal over de rechtvaardige stad?
Rode draad in ons essay Verkenning van de rechtvaardige stad is de te eenzijdige economische blik op het gebruik van de ruimte, waardoor essentiële maatschappelijke functies worden verdrongen. Eigenlijk zou dit geen tegenstelling moeten zijn. Economische en sociaal-culturele dynamiek zijn onderdeel van dezelfde samenleving. Toch zijn in de stedelijke ontwikkeling die twee op andere sporen terechtgekomen. Met gevolgen waar niemand blij mee is. Het leidt tot een voortdurende vraag naar overheidsmaatregelen, om Airbnb te limiteren, of pied à terres in het centrum van Amsterdam te verbieden, of beleggers een hogere overdrachtsbelasting op te leggen. Uitwassen bestrijden is prima, maar het is symptoombestrijding en brengt economisch en sociaal-cultureel gebruik van de ruimte niet bij elkaar. Daar hebben we dat aansprekende verhaal voor nodig, waar concrete maatregelen zijn ingebed, aan worden getoetst. Zo’n verhaal is voor ons geen nieuwe ideologie met een eenduidige strategie. De stad is de samenleving; het samenspel van activiteiten van overheden, marktpartijen, ondernemers en bewoners. Dan zou het ook de samenleving moeten zijn die de stad vorm geeft. Daar horen politieke tegenstellingen bij en belangenconflicten; dat hoort bij een levend publiek domein en is het probleem niet. Het punt is dat de afweging en besluitvorming, over de vraag wat publieke welvaart is en wat particuliere rijkdom is, niet meer in de samenleving zelf plaatsvindt en niet meer transparant wordt bekrachtigd in een goed functionerend democratisch stelsel.

Draaien en actualiseren
Lang is de stad van Jane Jacobs een aansprekend verhaal geweest, maar laten we eerlijk zijn, het is een ideaalbeeld, die stad bestaat vaak niet meer, niet in Greenwich Village in New York, niet in De Pijp in Amsterdam en ook niet rondom de Zijlweg in Haarlem. De diversiteitsprincipes van Jacobs vind je er niet meer terug. Haar ideeën zijn nog altijd inspirerend, maar komen alleen opnieuw tot leven als we ons realiseren dat de organisatie van de samenleving anders is dan meer dan vijftig jaar geleden, toen zij haar beroemde boek schreef. (Waarin zij overigens al een voorspelling deed van de huidige problemen: Zie het hoofdstuk ‘De zelfvernietiging van diversiteit’ in Dood en leven van grote Amerikaanse steden.) Anders dan in de tijd van Jacobs hebben we nu een globale economie, politiek ondersteund, die sturend is in het financieel rendement op grond en gebouwen. Voor een nieuw perspectief op de stad hebben we dus ook een actualisering van de ideeën van Jane Jacobs nodig.
En we zullen meer onderwerpen moeten draaien en actualiseren. Zo wordt bijvoorbeeld de aanwezigheid van migranten in onze stadswijken nog steeds niet als realiteit geaccepteerd. Zij worden gedefinieerd als probleem - zo ontnemen we hen en de samenleving toekomstperspectief.

De ‘commons’
Publieke welvaart boven particuliere rijkdom betekent niet dat overheid en markt tegenover elkaar staan, het sluit marktpartijen ook niet uit, het gaat om het perspectief waarin zij opereren. Toch zal de positie van de overheid wel versterkt moeten worden, omdat nieuwe regels voor nieuwe partijen en ontwikkelingen nu te laat tot stand komen. Maar het opnieuw verschuiven van zeggenschap en verantwoordelijkheid tussen overheid en markt is niet de sleutel, een nieuwe verstatelijking willen we niet. De sleutel ligt bij de derde partij, de burgers zelf. Zij hebben belang bij publieke welvaart en zij creëren andere waarden dan overheid en markt. Er kan alleen iets gaan schuiven in de verhoudingen als nieuwe en oude gemeenschappen aan invloed winnen. Dat kan via versterking van de formele lokale democratie of via burgertoppen, via de nieuwe coöperaties of door het contact met je buren in de straat overeind te houden en uit te bouwen. Om zicht te krijgen op dit nieuwe stadmaken is het motto van Davis van belang: wanneer dragen burgerinitiatieven bij aan publieke welvaart? Dat zijn dus niet de projecten die voortvloeien uit een overheidsbezuiniging of juist subsidies doen belanden bij groepen die dat het minste nodig hebben.
Daarom vinden wij de ‘commons’ zo’n interessant begrip. Het zijn in hun vorm organisaties die publiek worden gevormd en waar particuliere en publieke belangen samenkomen. Het zijn - en waren dat ook historisch - initiatieven die burgers ook werkelijk als derde partij positioneren en die doelen realiseren die overheden niet voor elkaar krijgen. Zie de Rotterdamse Leeszaal in het Oude Westen, al zes jaar lang een cultuurhuis voor de stad en een ontmoetingsplek voor de wijk met tachtig vrijwilligers van veel verschillende nationaliteiten. Of doelen die de markt niet voor elkaar krijgt. Zie ook in Rotterdam Het Rotterdams Woongenootschap dat in coöperatie-verband een alternatief biedt op de woningmarkt, met een rijke architectuur voor de middenklasse.

Ruimte voor experiment
Het stedenbouwkundig project is bij uitstek het domein waar ruimte voor publieke welvaart gestalte kan krijgen. De sociale woningbouwcomplexen uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zijn, net als de wederopbouwwijken, goede voorbeelden. De tijd van deze grootschalige, door de overheid gestuurde, projecten is echter voorbij. Natuurlijk moeten we betaalbare woningen bouwen in grote aantallen, maar de sleutel naar de rechtvaardige stad ligt wat ons betreft vooral in het publieke domein. Waar klassieke opgaven spelen zoals ruimte voor verblijf en ontmoeting, maar waar de komende decennia ook een groot aantal maatschappelijke veranderingen ruimte zal claimen. Denk aan klimaatadaptatie, mobiliteitstransitie, circulaire economie en demografische veranderingen.

Om dit te illustreren keren we weer even terug naar de Amsterdamse Van Woustraat. Van oudsher is dit een straat waar sjiek en sjofel tegen elkaar schuren. Het is ook een levendige straat waar fietsers en voetgangers constant de strijd aangaan tegen de grote stroom auto’s en trams. Regelmatig staan er bestelbusjes dubbel geparkeerd om te laden en te lossen. De straat leeft, maar is ontegenzeggelijk lelijk. Net als de beroemde High Streets van Londen. En net als deze straten is de Van Woustraat binnen de gefixeerde stad met woonbuurten een open ruimte die continu aangepast en gerepareerd kan worden. Maar voor hoelang nog?
In het kader van het terugdringen van de automobiliteit zal een groot deel van de Van Woustraat autoluw worden. Op zichzelf een goed streven. Maar dit soort maatregelen leiden tot nu toe ook meestal tot een striktere ordening en vooral esthetisering of thematisering van de openbare ruimte. Volgens Richard Sennett is dit een van de grootste bedreigingen van publieke waarden, omdat thematisering meestal eendimensionaal is en zo een monopolie vormt voor een identieke groep en daarmee anderen uitsluit.

Wij denken dat het ook anders kan en pleiten voor meer durf. Stel stadsstraten open voor onverwachte initiatieven met onbekende afloop. Kunnen wij onze stadsstraten zien en ontwerpen als een open systeem dat continu aangepast en gerepareerd moet worden? Durven wij het zwaar bevochten stedenbouwkundig idioom met zorgvuldig gecomponeerde stedelijke ruimtes en beeldkwaliteitsplannen los te laten? Wij zouden het experiment graag aangaan en de ruimte willen geven aan alle bewoners van de omliggende buurten om zelf een bijdrage te leveren aan een stadsstraat als betekenisvolle publieke ruimte. Niet via de weg van de inspraak, maar in nieuwe gemeenschappen. En als het mislukt dan proberen we weer iets anders. Dit is namelijk precies waarom stedenbouw een cruciale discipline is in een rechtvaardige stad. Het legt de directe verbinding tussen het theoretisch debat en het concrete project. Alleen door te testen en uit te proberen kunnen we daadwerkelijk leren en ontdekken hoe we aan een stad kunnen werken die de publieke welvaart vergroot. Geen aansprekend verhaal zonder concrete voorbeelden.

In mei van dit jaar publiceerden Simon Franke en Wouter Veldhuis bij trancityxvaliz het Stadsessay Verkenning van de rechtvaardige stad – Stedenbouw en de economisering van de ruimte. Ingegeven door zorg over een ontoegankelijke woningmarkt, gentrificatie, segregatie, marginalisering van kwetsbare groepen en daarbij het verdwijnen van maatschappelijk vastgoed en openbare ruimte. Is de stad, zo vroegen zij zich af, er nog wel voor iedereen en voor alle functies van het stedelijke leven?
Dit essay is hier gratis te downloaden of hier in print aan te kopen.

Omslag How to kill a city In How to Kill a City - Gentrification, inequality and the Fight for the Neighborhood beschrijft Peter Moskowitz aan de hand van New Orleans, Detroit, San Francisco en New York hoe gentrification een bewust ingezette strategie is van overheid en bedrijfsleven om steden en wijken te ontdoen van armere bevolkingsgroepen.
Gentrification is in zijn ogen geen natuurlijk proces dat wijken verbetert, zoals in Nederland vaak wordt gezegd. Integendeel het vernietigt sociale verbanden en gemeenschapszin.


How to Kill a City is zo’n mix van onderzoeksjournalistiek en maatschappij analyse waar Amerikaanse auteurs een jaloersmakend patent op hebben. Eerder schreef ik over de publicatie Evicted, wat op dezelfde leest geschoeid is. Peter Moskowitz gaat in zijn boek nog een stapje verder. Hij schijft van tijd tot tijd een activistische pamflet en brengt ook zijn eigen handelen in het verhaal: geboren in de West Village op Manhattan en verdreven omdat het onbetaalbaar werd, is hij nu zelf een gentrifier in Brooklyn. Al bij al een gepassioneerd betoog, zeker geen wetenschappelijke verhandeling of objectieve beschrijving met hoor en wederhoor.

Schilders maart20140049 Mobile Buurtbemiddeling is een doeltreffende aanpak die in steeds meer gemeenten gebruikt wordt bij burenruzies. Buurtbemiddelaars zijn vrijwilligers die buren in gesprek brengen om samen een oplossing te vinden voor hun conflict. Zij zien daarbij hoe stadswijken veranderen in bevolkingssamenstelling door de toename van het aantal 'verwarde' mensen, van statushouders en van gezinnen met een verschillende culturele achtergrond. Ook merken zij dat nieuwe bewoners minder vaak het initiatief nemen om kennis te maken met hun buren. Deze ontwikkelingen leiden tot een toename van burenoverlast en burenruzies worden complexer. Dat doet een groter beroep op het vakmanschap van de buurtbemiddelaars. Bij discussies over de toekomst van de wijkontwikkeling mag hun rol wel wat prominenter in beeld.

Stadspenning 2Op een bankje zitten, een praatje maken met bewoners, luisteren en vragen wat zij voor hen kunnen betekenen, dat was de start van Willem en Nol op het Teniersplantsoen in de Haagse Schilderswijk, nu tien jaar geleden. Zo ontstond het Stagehuis, een huis voor jongeren om stage te lopen in de Schilderswijk. Een plek waar zij met hun vragen en problemen terecht kunnen en waar zij gestimuleerd worden om hun dromen te realiseren. Het Stagehuis is een succes en wordt gewaardeerd zo blijkt uit de overhandiging door wethouder Baldewsingh van de stadspenning Den Haag aan Willem en Nol. Maar hoe past zo’n burgerinitiatief in het huidige participatiebeleid van de gemeente Den Haag?

Milikowski omslagFloor Milikowski schreef met Van wie is de stad een bestseller over de verwording van Amsterdam tot een stad voor hoger opgeleiden, meer verdienenden en toeristen. Het is een behoorlijk zwart beeld over een stad die ten ondergaat aan het eigen succes. Het leest bedoeld of onbedoeld als een aanklacht tegen het politieke bestuur en de beleidsafdelingen van de stad.

Een boek voor publiek debat
Een levendig boek, een plezier om te lezen; een soort cultuurgeschiedenis van de Amsterdamse stadsontwikkeling in de afgelopen decennia. Een boek dat voor de vakwereld van stadsontwikkelaars misschien niet zo heel veel nieuws bevat, maar het belang van het boek ligt dan ook ergens anders. Met kennis van zaken en gebruikmakend van de stemmen van heel veel mensen uit die vakwereld weet zij buiten elk vakjargon te blijven en een toegankelijk verhaal te schrijven over vastgoedontwikkelingen, over gentrification, over het verdwijnen van de middengroepen en vooral over de onstuitbare groei van het toerisme. Daarmee bereikt ze een breed publiek. Dat kan effect hebben op de publieke opinie en uiteindelijk hopelijk ook op politiek en beleid.

Parkwijk Haarlem3 Mobile‘Haarlem alleen voor de rijken?’ Onder die titel hadden we ook in mijn eigen woonplaats in de aanloop naar de verkiezingen voor de gemeenteraad een debat over de woningmarkt.
Ik ging er niet zozeer heen om de standpunten van de politieke partijen te horen, die waren weinig verrassend en met twaalf partijen die aan het woord mochten komen is er niet veel ruimte voor verdieping. Toch was het een levendige en interessante bijeenkomst door verschillende inhoudelijke bijdragen. Ik wist altijd al wel dat Haarlem behoorlijk gesegregeerd is, maar deze avond gaf mij een scherper beeld.

Zijlweg Haarlem MobileVerdringing door Amsterdammers
Haarlem is, vooral bij Amsterdammers die hun eigen stad te duur vinden, bijzonder populair. Maar ook voor hen wordt Haarlem onbetaalbaar en is er nauwelijks aanbod, niet in de koopmarkt en niet in de huurmarkt. Om nog maar te zwijgen voor Haarlemmers die het huis van hun ouders willen verlaten of doorstromen. Zij worden uit de markt gedrukt door de toestroom van buiten.
We praten dan wel over de populaire wijken van Haarlem. In bijvoorbeeld Schalkwijk, met ruim 30.000 inwoners de grootste naoorlogse uitbreidingswijk van Haarlem, ligt de vierkante meter prijs op zestig procent van die populaire wijken.


Evicted‘Home is the center of life’, schrijft Matthew Desmond in Evicted – Poverty and profit in the American City. Acht families zijn de rode draad in zijn boek, families voor wie een dak boven het hoofd niet vanzelfsprekend is. Die families staan voor miljoenen Amerikanen die met regelmaat uit huis gezet worden omdat zij de huur niet kunnen betalen. Desmond schreef een magistraal boek met verhalen die zo uitzichtloos zijn, dat je het boek met regelmaat moet wegleggen omdat zoveel ellende niet te behappen is. ‘Home is the center of life’, maar als je geen ‘home’ hebt kom je in een spiraal van armoede, werkloosheid en criminaliteit terecht. In Nederland is het niet anders: eerst huisvesting en dan aanpak van problemen, andersom werkt niet.

Uitzetting veroorzaakt armoede
Huisvesting is een basisrecht voor iedereen. En een eeuw lang was het in de VS net als elders gebruik om zo’n 30 procent van je inkomen te besteden aan woonlasten. Dat was vroeger, inmiddels betaalt het merendeel van de armen in de VS meer dan de helft van hun inkomen aan huur. Dat lukt dus velen niet en huisuitzetting is het gevolg. In Milwaukee (waar de auteur zijn boek op heeft gebaseerd) wordt in een jaar tijd 1 op de 8 arme huurders geconfronteerd met uitzetting en vreest een zelfde aantal huurders dat dat binnenkort staat te gebeuren.
Huisuitzetting betekent een leven op straat, in verlaten slooppanden, in opvangcentra, bij familie. Maar het betekent nog veel meer. Uitzetting is niet alleen een gevolg van armoede, het is de belangrijkste veroorzaker van armoede. Het verbreekt gemeenschappen, het duwt kinderen in de criminaliteit, het maakt het onmogelijk om regelmatig werk te hebben, veroorzaakt ziekte en depressie.

saskia sassen MobileDe ‘financialisering’ van de economie ondermijnt onze steden. Socioloog en econoom Saskia Sassen vertelde erover in de Balie op 29 november j.l. Zij schetste een wereld waarin vastgoed (en de financiering daarvan) er niet is om te worden gebruikt voor huisvesting van bewoners, bedrijven of maatschappelijke instellingen, maar waarin het de onderlegger is voor een reeks van financiële constructies en producten waarmee maximaal geld te verdienen is. Haar verhaal geeft voeding aan het project De rechtvaardige stad, een initiatief van Wouter Veldhuis van MUST en Simon Franke van Trancity.

Uitstoting
Al was de boodschap van Sassen duidelijk, haar verhaal in de Balie was niet altijd even helder. Maar geïnspireerd trok ik een boek van haar uit 2015 uit de kast. Toen aangeschaft, maar nog niet gelezen. Uitstoting, brutaliteit en complexiteit in de wereldeconomie is de Nederlandse titel. Een breed verhaal over armoede, milieuvernietiging, maar vooral ook over het financiële systeem. In een hoofdstuk in het boek (Het financiële systeem en zijn ‘vermogens’: crisis als systeemlogica) beschrijft ze wat er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is veranderd. Tot die tijd hadden we een Keynesiaans model waarin de welvaarsstaat erop was gericht dat iedereen mee kon doen. Volledige werkgelegenheid en een vangnet voor als het misging. Dat was ook in het belang van de grote bedrijven. Met meer arbeid werd door hen meer geld verdiend en meer arbeiders (met inkomen) betekende meer consumenten en verkoop van producten. Inclusie was toen de logica van het systeem, uitstoting lijkt volgens Sassen de logica van deze eeuw. In die ontwikkeling zijn de financiële instellingen meegegaan. Banken hebben een rol in de reële economie. Ze leveren bijvoorbeeld een product (lening) waarvoor je een prijs betaalt (rente). Met die lening kan je een huis kopen of een bedrijfsinvestering doen. Maar nu faciliteren de banken ook de financialisering van de economie.

Abonneer u nu op de nieuwsbrief over onze publicaties en programma’s